Voortplanting
Start Omhoog Feedback Inhoud

 

Start
Omhoog
Waarnemingen
Vogellogboek
Tuinvogels
Voeren
Vetbollen maken
Nestkasten
Topografie
Aantekeningen
Gastenboek
Links
Foto's
Vogelsporen
Vogeltrek
FrŲbelen
Berichten

 

horizontal rule

  Voortplanting

 

Voortplanting

Vogels hebben geen uitwendige voortplantingsorganen. Mannetjes en vrouwtjes hebben een cloaca, die zowel voor afvoer van afvalstoffen (urine en faeces) als voor seksueel contact is. Bij de copulatie wordt de cloaca iets uitgestulpt en tegen die van de partner geduwd, waarna de overdracht van sperma plaatsvindt. Nadat het ei bevrucht is gaat het via het oviduct door de cloaca naar buiten. Als het ei door het oviduct gaat wordt het omgeven door een laag eiwit en de beschermende schaal, die beide door klieren in de wand van het oviduct worden geproduceerd. Aan het uiteinde van het oviduct worden pigmenten aan de schaal toegevoegd; meestal zijn dit derivaten van afvalproducten.

Vogeleieren zijn een karakteristiek en uniek kenmerk in het dierenrijk. Het vogelei is uitstekend gestructureerd voor optimale groei en bescherming van het zich ontwikkelende embryo. De dooier, een lichtgele of oranje stroperige vloeistof, wordt omgeven door een dunne elastische membraan. Op de dooier bevindt zich een klein vlekje, de kiem, van waaruit het embryo zich ontwikkeld. Het albumen of eiwit vormt de rest van de ei-inhoud en bestaat uit twee lagen: een stroperige (buitenzijde) en gelatineuze (binnenzijde, aan de dooier grenzende) vloeistof. Het eiwit wordt van de schaal gescheiden door twee met elkaar in verbinding staande membranen, die voor kalkuitwisseling dienen en bescherming geven. Aan de brede zijde van het ei bevindt zich de luchtkamer, tussen de beide membranen. Het ontwikkelt zich pas als het ei gelegd is en neemt in omvang toe als het embryo groeit; het heeft waarschijnlijk een thermoregulerende functie. Tenslotte bestaat de eischaal uit een aantal onderling verbonden lagen, waarvan de binnenste in contact staat met de buitenste membraan. De eischaal bestaat uit calciumcarbonaat en een beetje proteÔne. De eischaal is doorzeefd met kleine kanaaltjes, de poriŽn, die voor gasuitwisseling dienen tussen de buitenlucht en het ei (of embryo) zelf. De poriŽn vertonen ook variatie tussen de soorten en kunnen enkel vertakt zijn of vele vertakkingen hebben. De pigmenten, die het ei zijn specifieke kleur en/of patroon geven, bevinden zich Ūn de eischaal. Er kan aanzienlijke variatie tussen diverse eieren zijn (dikte van de eischaal, aantal poriŽn, samenstelling etc.).

De eieren van diverse vogelsoorten kunnen van elkaar worden onderscheiden door uitwendige kenmerken: er zijn geen twee eieren precies hetzelfde. De grootste verschillen worden gevormd door afmetingen, vorm, oppervlak en kleur. De vorm varieert aanzienlijk tussen soorten, van rond tot conisch, sterk elliptisch, puntig, etc. Het formaat hangt onder andere samen met de jongen: zijn deze nestvliedend (goed ontwikkeld en al spoedig in staat het nest te verlaten) of nestblijvend (matig ontwikkeld en vaak kaal). De eieren van nestvlieders zijn relatief groot. De legselgrootte is ook van invloed op het formaat van de eieren. De belangrijkste relatie is natuurlijk die tussen de afmetingen van de ouder en het eiformaat, hoewel de relatieve afmetingen van het ei afnemen bij toenemende lichaamsgrootte. Bij een groot aantal vogels ligt de relatie tussen 1/9e en 1/15e van het lichaamsgewicht, maar het kan zelfs slechts 1/50ste van het gewicht zijn bij grote vogels. Het grootste ei is van de Struisvogel (17x13,5 cm, 1,4 kg), het kleinste van een kolibrie (1,3x0,8 cm, 0,5 gram). Als er in Vogels van Europa eieren zijn afgebeeld verschijnen ze op ware grootte op het scherm.

De meeste eieren hebben een glad oppervlak en variŽren van helder glanzend tot dof. De meeste eieren houden hiertussen het midden en zijn matglanzend met fijne putjes. De helder gekleurde en fel glanzende eieren van de Tinamoes lijken wel van porselein. Het eioppervlak kan ook kalkachtig (poederig), olieachtig of zepig (bijvoorbeeld bij eenden) zijn, of met fijne richeltjes (Emoe). Bij veel ratiten (niet-vliegende grote vogels) is het eioppervlak korrelig met veel putjes. De eikleur kan, samen met andere kenmerken, een specifieke taxonomische waarde hebben (vaak ter onderscheiding van genera). Aan de andere kant kunnen eieren binnen een enkele soort enorm variŽren, zoals bij de Zeekoet. Kleur kan aan omgevingsfactoren onderhevig zijn (schutkleur). Ei kleuren worden in hoofdzaak veroorzaakt door twee pigmenten: de ene roodbruin en de andere blauwgroen, die het hele scala aan kleuren geven. De pigmenten komen het talrijkst voor in de buitenste lagen van de eischaal. Soms zitten ze zo aan de oppervlakte dat ze er van af gewreven kunnen worden. Meestal heeft een ei een grondkleur (variŽrend van bijna wit tot vrijwel zwart) waar andere kleuren als het ware bovenop liggen. De variatie in kleur en tekening is onuitputtelijk. De legselgrootte is afhankelijk van de bescherming die in het nest kan worden geboden, maar ook van het voedselaanbod (hoe beter, hoe meer eieren). Ook hangt het af van of de jongen nestvlieders of nestblijvers zijn.

Nestvlieders verlaten enige uren na het uitkomen het nest. Aangezien zij na het uitkomen vochtig en afgemat zijn, moeten ze eerst drogen en zich herstellen van de inspanning die het doorbreken van de eischaal heeft gekost. Deze zogenaamde nestvlieders broeden, op enkele uitzonderingen na, maar eenmaal per jaar terwijl nestblijvers in een jaar drie keer jongen grootbrengen. Bij nestblijvers en nestvlieders komen zowel kleine als grote legsels voor. Bijvoorbeeld de Pimpelmees die een echte nestblijver is kan wel 12 eieren in een legsel produceren. Terwijl de Merel die ook nestblijver is hooguit 5 eieren in een legsel produceert. Hetzelfde geldt voor nestvlieders. Wilde eend, nestvlieder op het hoogste niveau. Deze soort legt wel 12 eieren in een legsel. Terwijl de Kievit die ook nestvlieder is en meestal 4 eieren in een legsel produceert.

Eieren worden in het nest gelegd, die net zo divers zijn als de vogels zelf. Om praktische redenen maken we onderscheid in een aantal nesttypes. Sommige vogels maken nauwelijks een nest en leggen hun eieren op de kale grond, zoals veel op kliffen broedende zeevogels, bijvoorbeeld Zeekoeten. Het nest van de Noordse Stern bestaat uit een ondiep kuiltje in de grond en wordt niet of slechts schaars bekleed met kiezeltjes, schelpjes en grassprietjes. Veel steltlopers maken vergelijkbare nesten: een kommetje op de grond tussen dichte vegetatie, bijvoorbeeld in weilanden en moerassen. Andere grondbroeders bekleden hun nest uitgebreid met plantaardig materiaal, bijvoorbeeld hoenders, kraanvogels en rallen. Eenden en ganzen bekleden hun nest van plantaardig materiaal met hun eigen borstdons.


Diverse vogels broeden in holen. Onder de holenbroeders vinden we IJsvogels, Bijeneters en pijlstormvogels. De laatste broeden vaak in verlaten konijnenholen. Spechten hakken hun eigen holen in bomen, terwijl mezen, uilen en Brilduikers gebruik maken van bestaande holen.
Een aantal vogels maakt een drijvend nest, bijvoorbeeld futen, Meerkoeten en moerassterns.
Veel vogels bouwen hun nest van allerlei takjes in een boom. Arenden maken enorme takkennesten en gebruiken dit jaren achtereen. Ooievaars doen hetzelfde. Zangvogels maken meestal een klein kommetje. Sommige zangvogels maken hun nest geheel dicht met een ingang aan de zijkant, bijvoorbeeld Winterkoning en Tjiftjaf.
Zwaluwen bouwen een nest van modder, dat ze verzamelen in een plas of vijver; vervolgens bouwen ze het nest op tot een komvormig bouwsel met een zij-ingang, vaak hangend onder uitstekende rotsen of kunstmatige bouwsels zoals bruggen of daklijsten. De Oeverzwaluw graaft echter een tunnel in een verticale zandige of kleiige rivieroever. Lijsters, zoals Zanglijsters, verstevigen hun nest met een laagje modder.

Tijdens het bouwen van het nest vertonen vogels een stereotiep, aangeboren gedrag, hoewel de fijne kneepjes van het vak een kwestie van ervaring kunnen zijn. Kleine vogels, zoals zangvogels, bouwen hun nest binnen een week, maar het tempo wordt beÔnvloedt door hormonale cycli.

Als de eieren gelegd zijn begint de broedperiode. Meestal wacht het vrouwtje met broeden totdat het legsel compleet is. Uilen en roofvogels beginnen echter als het eerste ei is gelegd, hetgeen betekent dat de jongen na elkaar uitkomen, omdat alle eieren dezelfde tijd bebroed moeten worden. De totale broedduur (de periode tussen het leggen van het laatste ei en het uitkomen ervan) bedraagt bij kleine zangvogels 10 dagen, bij duiven en spechten 12-15 dagen, bij roofvogels 35-55 dagen, en bij pijlstormvogels 50 dagen.

De meeste vogelsoorten hebben een broedvlek op de onderzijde van het lichaam, een gebied waar de veren uitvallen en rijkelijk van bloedvaten is voorzien. Als de vogel op de eieren zit zijn deze in contact met de kale huid en worden zodoende voldoende van warmte voorzien.
Als het jong uit het ei komt maakt het gebruik van zijn eitand, een scherp puntje op de punt van de bovensnavel, waarmee het de eischaal doorboort. Deze eitand wordt spoedig na het uitkomen afgeworpen. Bij nestblijvers zijn de jongen matig ontwikkeld, kaal en blind en daarom volledig van de ouders afhankelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de meeste zangvogels. Bij nestvlieders zijn de jongen echter geheel met dons bedekt en kunnen al na enkele uren rennen, zwemmen en voedsel verzamelen. Voorbeelden van nestvlieders zijn eenden, zwanen, ganzen, hoenders en steltlopers.

 

Start ] Omhoog ] Waarnemingen ] Vogellogboek ] Tuinvogels ] Voeren ] Vetbollen maken ] Nestkasten ] Topografie ] Aantekeningen ] Gastenboek ] Links ] Foto's ] Vogelsporen ] Vogeltrek ] FrŲbelen ] Berichten ]

U kunt een e-mailbericht met vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan John Colfoort
Copyright © 2009 Colfoort